Geschiedenis
Aan het begin van de 16e eeuw verbreidde zich in de Cevennen het calvinistische Protestantisme. Boeren verjaagden De katholieke Kerkvorsten als hun onderdrukkers. Uit de Zwitserse Éedgenoten´ontstonden de Franse Éyguenets´en ´Hugenoten´. Vandaag nog herinneren vele protestante kerken (Temples) in de Ardeche aan dit krijgszuchtige verleden. De steden in de Cevennen werden burgten van het zuidfranse Protestantisme gedurende de geloofsoorlogen. Hoewel al in 1522 onder bedreiging van zware straffen het verboden wird de Katholieke leer tegen te spreken, waren er in 1561 al bijna 700 protestantse kerken in Frankrijk. In de Cevennen ontstond in de jaren 1702 tot 1704 de laatste opstand van de Protestanten tegen de troepen van Lodewijk XIV. De bewoners trokken zich terug in ontoegankelijke berggebieden en gingen als Camisarden de geschiedenis in. Deze laatste tegenstand eindigde met de ´grote brandstichting van de Cevennen´, dat door Lodewijk XIV wird bevolen. Zijn soldaten - de beruchte dragonders - plunderden en verwoestten 446 dorpen in de Cevennen voordat de Camisarden eindelijk de strijd opgaven. Pas na de Franse Revolutie kregen de Protestanten het recht op vrije geloofsuitoefening. Het voor deze bergen typerende dorp bestaat uit in elkaar vervlochte huizen en ruimten. Het is minder een dorp dan een naar buiten door muren afgeschermde vesting met binnenhoven, bakhuizen, stallen en smalle doorgangen. Tot aan het einde van de 19e Eeuw verbarrikadeerden de boeren zich nog tegen overvallers en vreemdelingen. Op vele plaatsen zijn geteerde straten een moderne luxe. Waar aansluiting op het wegennet niet mogelijk was of zich niet loonde werden hoven en plaatsen verlaten en kwamen langzaam tot verval. Eeuwenlang leefde men van de landbouw - in de dalen van olijven, wijn, perziken en ooft, in hoger gelegen plekken van kastanjeaanbouw en geiten- en schapenteelt. De Cevennen en het gebied van de Ardeche waren zo dicht bevolkt, dat elk stuk land bebouwd en benut werd. De kale hellingen van vele bergen getuigen nog de overbeweiding en werden pas in de laatste tientallen jaren slechts langzaam weer groen. Hierbij werd de natuur door wederbebossing een handje geholpen. De mensen uit de Ardeche trokken weg, alleen de ouden bleven. De oude hellingen en terrassen (´faisses´) zijn al vele jaren in verval en pas het langzaam opbloeiende toerisme kan hele dorpen nog redden. De franse regering probeert weliswaar door het aantrekken van jonge landbouwers het verval van een oud cultuurlandschap tegen te houden, maar nog steeds verwilderen de door mensen aangelegde wouden van tamme kastanjes. De drooggebouwde muren van de terrassen storten ineen, de natuur eigent zich de dalen en de berghellingen weer toe. Waaraan is deze ontwikkeling te danken?

Opbloei en neergang
De teelt van zijderupsen werd einde der middeleeuwen ingevoerd en beleefde zijn grootste bloei pas na het voorlopige einde van de Religie-oorlog, 1598. Hendrik IV bevorderde de zijdeproduktie en tot aan de Opheffing van het Edict van Nantes beleefde De zijderupsenteelt een eerste opbloei.Na de latere onderdrukking van de protes-tantse bevolking en nadat een zware vorstperiodein de winter van 1709 een groot deel van de moerbeibomen had vernietigd, begon in de 18e eeuw de economische opbloei van de zijde-teelt. Door industrialisering van de spinnerij en de aanplant van nieuwe varieteiten die meerdere oogsten per jaar mogelijk maakten, werd wat uit voorheen seisoenarbeid was nu werk voor het hele jaar door. Tot 1853 beleefden de bewoners een relatieve welstand. Daarna begon de neergang van de zijdeteelt eerst door een dodelijke ziekte onder de zijderupsen, daarna door de onweerstaanbare concurrentie van importzijde. De mercantilistische hoge tolheffing werd afgeschaft, de zijde uit de Cevennen was niet meer nodig. In de jaren tussen 1850 en 1870 verarmde de bevolking: 30.000 bewoners van de Ardeche werden geregistreerd als emigranten. Nog in het jaar 1880 werden in het departement Ardeche op bijna 60.000 ha kastanjebos 40.000 ton kastanjes geoogst . Kort daarna gingen reusachtige boombestanden ten onder aan een virusziekte - net als bij de ondergang van de zijderupsenteelt een catastrofe voor de bevolking van de Ardeche. Aan het begin van de 20e eeuw was de bevolking van de Cevennen met een derde teruggelopen, nog een deel verliet de streek tussen 1945 en 1975. Stations, scholen en winkels werden gesloten. Over bleven alleen de bejaarden die hun leven voortzetten,zoals ze dat van hun ouders hadden geleerd. Begin van de 80er jaren kwamen de toeristen - families, hippies en individuele toeristen, die Het wilde landschap op prijs stelden en huizen en dorpen weer nieuw leven inbliezen. Het z.g. ´zachte toerisme´ en een nieuw begin van landbouw, ondersteunt door de aanzuigende werking van een regionaal park, biedt hoop voor de toekomst van de Ardeche.